Verhaal van Henri Borel uit het hoofdstuk woe wei van het boek ‘Wijsheid en schoonheid uit China’

De Nederlander  Henri Borel, verbleef in de negentiende eeuw lange tijd in China. Al in 1897 gaf hij een zeer fijnzinnige vertaling uit van de Daodejing. In 1919 schreef hij een boek: Wijsheid en Schoonheid uit China. In dit boek is opgenomen een fantasie, daarin bezoekt de schrijver op een afgelegen eiland een oude, wijze, Lao Tse genaamd.

Ik beklom de rots waarop de oude wijze zou wonen. Na een half uur gegaan te zijn kwam ik op de top waar een stenen, vierkant huisje stond. Ik klopte op de deur en hoorde iemand de grendel verschuiven. De Wijze stond voor mij, en zag mij aan. En het was een openbaring.

Het was of ik een groot Licht zag; een Licht dat niet verblindde, maar rust gaf. Er was een heiligheid om hem als om een landschap, als in plechtige schemering waarvan de Ziel afglanst in het late licht en waarin in de devote dichter een gebed opruist.

Zij ogen zagen diep in mij en ik voelde mij bevreesd bij die blik en zag mijn arme leven in al zijn kleinheid. Ik kon geen woord zeggen en voelde zwijgend zijn Licht in mij gaan.
Hij sprak, en zijn stem was zachte muziek als van wind in bladeren:

“Ik groet u vreemdeling. Wat komt gij zoeken bij mij oude man? “.

Ik antwoordde deemoedig: “ Ik wil een goed mens worden, maar hoe ik ook zoek, niemand kan mij vertellen hoe ik goed kan worden”.

Hij antwoordde: “Dat is niet zo heel best, gij moet niet zo heel goed willen zijn. Gij moet er ook niet al te veel naar willen zoeken, want dan vindt ge de ware wijsheid nooit. Kijk eens naar het landschap voor u, de bomen de bergen, de zee, en de lucht. Ziet ge hoe de zee aankomt? Zo vanzelf, zo natuurlijk, zo – omdat het nu eenmaal zo moet -.
Dan zal ik u niet vertellen van “Wu Wei” van “Niet-Doen”.

Er is in elk mens een drang van beweeg die uit TAO is gekomen en die hem weer tot TAO terug wil voeren. Maar de mensen worden verblind door hun zintuigen en hun begeerten. Ze willen lust, verlangen, haat, roem en rijkdom. Zij bewegen fel als grote stormen en hun gaan is een woest opstijgen en wild weer neervallen. Zij houden zich vast aan alles wat on-reëel is. Zij willen veel te veel om het Ene te willen. Zij willen wijs zijn en goed, en – dit is het allerergste – zij willen veel te veel weten. Maar het énige Heil is: de terugkeer tot onze Oorsprong.

In ons is TAO. TAO is rust. Wij kunnen alleen tot rust komen door niet te verlangen, ook niet naar goedheid en wijsheid. O, al dat verlangen om te weten wat TAO is. En dat droeve werk van woorden om het te zeggen, om het te vragen.

De ware Wijze betracht de Leer die zonder woorden is, die onuitgesproken blijft. Wie zou ooit TAO uit kunnen zeggen? Die weten wat TAO is, spreken er niet over, wie het uitspreken, zij weten het niet. Ook ik zal u niet zeggen wat TAO is. Gij moet dat zelf gaan vinden door u vrij te maken van alle begeerten en emoties. Dan kunt ge Van-Zelf leven, zonder onnatuurlijke actie.

Gij moet zacht naar TAO heendrijven, zo egaal en rustig als daar onder u de grote oceaan beweegt. Zij beweegt niet omdat zij wil bewegen, omdat zij weet dat het wijs of goed is om te bewegen. Nee, zij beweegt van-zelve, en zij weet het zelve niet.”

De Wijze hield even op en keek mij zacht aan. Zijn ogenlicht was zo rustig als een stille egaal blauwe hemel.

“Vader”, zeide ik, “wat gij mij zegt is schoon als de zee. En het lijkt wel zo eenvoudig als de natuur. Maar het is niet zo heel eenvoudig voor de mens om zo in rustig niets-doen zacht naar TAO te verglijden”.

“Verwar niet woorden met elkaar,” antwoordde hij. “Met niets-doen, WU WEI, wordt geen gewone in-actie bedoeld, niet zomaar lui zijn en de ogen sluiten. Maar er wordt mee bedoeld niet-actie van aardse beweging. Ven begeerten en verlangens naar onreële dingen.
Maar er wordt mee bedoeld: actie van reële dingen. Een krachtige beweging van de Ziel die uit het donker lichaam moet bevrijd worden als een vogel uit een kooi.

WU WEI is het toegeven aan de drang in u van binnen, aan de beweging die u door TAO is gegeven en die uwe Ziel naar TAO geleidt. En geloof me, die beweging is zo natuurlijk als die van de wolk boven ons”.

“Mijn leven is vol zonden”, antwoordde ik. Ik ben zwaar beladen van duistere begeerten. Hoe kan ooit dit zo gouden licht, in allerzuiverste essence naar TAO heendrijven? Het is zwaar van slechtheid en zinkt terug in het droeve slijk”.

“Geloof dit niet, geloof dát niet,” sprak de Wijze, en hij lachte zacht, vol genade en liefde.“Geen mens kan TAO vernietigen, en in allen blijkt de ziel in ondoofbare glans. Arme jongen! Heeft uwe zonde u dan zó bang gemaakt? Dacht gij uw zonde sterker dan TAO? Gij hebt te goed willen zijn en daardoor te veel uw slechtheid gezien. Maar dit alles is schijn. TAO is niet goed en TAO is niet slecht. TAO is alleen.

WU WEI, niet doende in de wereld van contrasten en betrekkingen, u vanzelf laten gaan, niet goed doen, niet slecht doen. Dan eerst zult gij werkelijk ZIJN, als gij, in deze zin NIET ZIJT.
Als ge vrij zijt van uwe begeerten en verlangens, dan zult ge vanzelf gaan, zonder te weten dat gij gaat en gij zult naar TAO heen drijven op de luchte beweging die uw reinste en enige reële levensprincipe is, zo licht als de gouden wolken boven uw hoofd verglijden in de hemelen.
Zo zult gij in luchte zweving naar TAO verglijden en de zult het niet weten als gij aangekomen zijt, want dan zult gij TAO zelve zijn

Henri Borel
Wijsheid en schoonheid uit China
uitg. P.N. van Kampen & zoon
5e druk 1919

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *