Tao: the three treasures

TAO: ‘THE THREE TREASURES (HART VOOR TAO 73)

 

I have three treasures which I hold and keep.

The first treasure is called meek-heartedness (compassion).

The second treasure thrift (sobriety).

The third treasure is:  dare to be not the first (humility).

(Lao Zi, Daodejing 67)

The first treasure: meek-heartedness

HART VAN GLASIn the world of contradictions – our world – love can turn into its opposite. Human love is usually limited: what is known will be loved and the unknown is excluded. Love as we know it is also variable: something loved in a certain period of life, can be abhorred in another phase. The love of which Lao Tzu speaks is of a different nature: it is not bound by time and space and cannot turn into its opposite.

the Chinese character for ‘compassion’ is composed by 3 different characters:

on top the character for ‘grass’, ‘herb’. It also means: ‘fertile’.

幺幺

in the centre there is 2 times the character for  ‘tiny ’, or  ‘silkwurm  cocoon’, the repetition indicates its enormous importance

at the bottom we see the character for ‘heart’.

fractal-17--0001-The ongoing compassion is an activity called by Lao Tzu Teh, meaning that which from the very start of the microcosm is hidden in the heart as a cocoon. When a person on his path towards Tao makes room in his heart because he is in the state of Wu Wei, the silkworm cocoon unfolds a thin, strong thread of non-dualistic compassion that connects itself with the student. Through this compassion he is able to look with mildness and gentleness both upon himself as well as on his fellow man. He becomes aware of the fact that everything and everyone is in development and thereby suffers, makes mistakes, falls into the same patterns continuously, or runs into his limitations. It is because of this compassion, that he  judges less; he becomes more gentle. In the school of the Rosycross it is explained:

Meek-heartedness is the absolute courage, that does not want to force, and cannot force, by virtue of the inner state of the pupil. The bond with the Kingdom is the first pillar. Strength to accomplish the work is the second pillar. And now this twofold grace of God must be confirmed in nature with meek-heartedness, and with meekness the great victory must be accomplished.”

(J. v. Rijckenborgh, The Mysteries of the Beatitudes, Rosycross Press, Haarlem)

12717858_998490163573559_5323646733413731298_nThe permanent compassion that Teh radiates into the pupil, is a gentle power that works transforming within the pupil. It feeds him, so that he finds the courage to persevere in the Wu Wei, despite ever-present personal needs.

Naturally, he remains a human being, with all its limitations. He is a student, not a saint. This means that one moment he is able to live from this permanent, compassionate love, whilst at other times he is carried away by his seemingly legitimate needs and demands.

As is the case at every stage, this compassion can be imitated by the pupil: he really wants to do  ‘right’… This too is part of the process:  he starts by learning that the permanent love of Teh is totally objective, and that he must become so himself.  Because the three treasures of the workings of Tao are of a permanent nature, the sage may at any time return to it again.

“When someone, like a silent spectator, in self-surrender goes the path, he discovers that although he is in the inner being dissociated every second, the new life as it were radiates over him. It is not his, the new life is from the Other, but his own dialectical self melts entirely away in it. That is the doctrine of non-doing, that is the Way, the Path. That is Tao.”

(J. of Rijckenborgh, Chinese Gnosis, chapter 2)

TAO, DE EERSTE SCHAT: MEDEDOGEN (HART VOOR TAO, 73)

Ik heb altijd drie schatten:
Houd ze vast en bewaar ze.

                                                De eerste is mededogen;                                                       

                                                      Chris Nap

HART VAN GLASIn de wereld van de tegenstellingen kan liefde omslaan in haar tegendeel. Menselijke liefde is meestal begrensd: wat bekend is krijgt liefde, het onbekende wordt buitengesloten. Liefde zoals wij die kennen is ook veranderlijk: wat liefgehad wordt in een bepaalde periode van het leven, kan in een andere fase worden verafschuwd. De liefde waarover in Laozi 67 wordt gesproken, is van andere aard: zij is niet aan tijd en ruimte gebonden en kan niet in haar tegendeel omslaan.

Het karakter voor ‘mededogen’ bestaat uit drie andere karakters:

Bovenaan het karakter voor ‘gras’, ‘kruid’. Het betekent ook: vruchtbaar.

幺幺

In het midden staat twee maal het karakter voor ‘klein’, of ‘zijderupscocon’, de herhaling geeft het grote belang ervan aan.

Onderaan staat het karakter voor ‘hart’.

fractal-17--0001-Het permanente mededogen is een werkzaamheid van de Teh, die al vanaf het ontstaan van de microkosmos als een cocon in het hart verborgen ligt. 

Wanneer de leerling plaats vrijmaakt in zijn hart doordat hij zich in het wu wei bevindt, ontspint zich uit de zijderupscocon een dunne, sterke draad van non dualistisch mededogen die zich met de leerling verbindt. Door dit mededogen is de leerling in staat om met mildheid en zachtmoedigheid naar  zichzelf zowel als naar zijn medemensen te kijken. Hij wordt zich ervan bewust dat alles en iedereen in ontwikkeling is en daarbij lijdt, fouten maakt, in steeds dezelfde patronen vervalt, of tegen zijn beperkingen aanloopt. Het gevolg van dit mededogen is dat hij minder oordeelt; hij wordt zachtmoediger. In de school van het rozenkruis wordt hierover gezegd:

Zachtmoedigheid is de absolute moed, die niet forceren wil en niet forceren kan, krachtens de innerlijke staat van de leerling. Binding met het Koninkrijk is de eerste zuil. Kracht om het werk te volbrengen is de tweede zuil.

En nu moet deze tweevoudige genade gods met zachtmoedigheid in de natuur worden bevestigd, en met zachtmoedigheid moet de grote overwinning worden behaald.

(J. van Rijckenborgh, Het mysterie der zaligsprekingen, zachtmoedigheid, Rozekruispers, Haarlem, 1958)

12717858_998490163573559_5323646733413731298_nHet permanente mededogen dat de Teh in de leerling uitstraalt, is een zachte kracht die transformerend in de leerling werkt. Zij voedt hem, zodat hij de moed vindt om in het wu-wei te volharden, ondanks de altijd aanwezig blijvende persoonlijke behoeften.

Vanzelfsprekend blijft hij mens, met al zijn beperkingen. Hij is leerling, geen heilige. Dit houdt in dat hij het ene moment in staat is om vanuit deze permanente, meedogende liefde te leven, terwijl hij op een ander moment meegesleept wordt door zijn legitiem lijkende wensen en behoeften. Zoals dat in iedere fase het geval is, kan ook het mededogen geïmiteerd worden door de leerling, hij wil het zo graag ‘goed’ doen… Ook dit maakt deel uit van het proces: de wijze is op weg te leren dat de permanente liefde van de Teh volkomen belangeloos is.

Omdat de drie kostbaarheden van permanente aard zijn, werkingen van Tao, kan de wijze er op ieder moment weer naar terugkeren.

Wanneer iemand, als een stille schouwer, in zelfovergave het pad gaat, komt hij tot de ontdekking dat, hoewel hij zich in het innerlijke wezen iedere seconde distantieert, het nieuwe leven hem als het ware overstraalt. Het is niet van hem, het nieuwe leven is van de Ander, maar het eigen dialectische zelf smelt daarin geheel en al weg.  Dat nu is de leer van het niet- doen. Dat is de Weg, het Pad, Dat is Tao.

 (J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri,Chinese gnosis, hfst. 2, Rozekruispers, Haarlem, 1987)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *