Doen en laten, parafrasen op rijm van C. van Dijk op vers 59 van de Daodejing

177
Wat wij al niet doen in ‘t leven
Sterk van wil en star van plicht,
‘t Heet dat daden doorslag geven
Voor ‘t Goddelijk gericht.

178
Doch het ware doen is “laten”,
Dat wat aanzien schept en macht”,
Niet begerend rijke baten
Van een onderdrukt geslacht.

179
Niet begerend, vreemd aan zonden,
Gaat men recht en doel-bewust,
Door geen schijnbezit gebonden,
Slechts met weten toegerust.

180
Eenmaal deze weg betreden,
Leert men ‘t mensdom overzien,
Lossen óp bijzinderheden,
Tot ‘n figur in het stramien.

181
Zo leert men het doen doorschouwen
En de kracht die leidt het doen,
Ziet het Al-bewuste bouwen
Aan het Goddelijk visioen.

182
Door het grote werk gedragen,
Lost het “IK” zich daarin op,
In een eindeloos welbehagen,
Eén met ‘s Scheppings harteklop.

Bron: Lao Tse, Teh, Universeele bewustwording, C. van Dijk, 1934

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *