Daodejing als vorstenspiegel

De Daodejing is ongeveer zes eeuwen voor onze jaartelling geschreven en wordt toegeschreven aan de legendarische Lao Zi, wat betekent: oud kind, of: oude wijze. Het is niet zeker of hij werkelijk heeft bestaan. Zijn boodschap is echter vele eeuwen later nog steeds actueel.

In 81 gedichten spreekt Lao Zi over Tao, over een Mysterie dat geen deel uitmaakt van de wereld van de tijdelijke dingen. Toch doordringt de energie van Tao – door hem de Teh  genoemd – de wereld van de tijdelijkheid volkomen. Deze voedt al het bestaande en biedt al het bestaande de mogelijkheid om zich op zijn eigen manier te  ontwikkelen.

De Daodejing wordt ook wel een vorstenspiegel genoemd. De vorsten en koningen uit de tijd van Lao Zi zouden daarin raad krijgen hoe hun land te besturen op een manier die in harmonie is met Tao. In het kort komen de adviezen die zij krijgen neer op:

– zich te realiseren dat alles in deze wereld tweevoudig is,
– dat Tao niet tweevoudig is, maar één in zichzelf
– zich niet op de voorgrond te dringen, maar juist
– het nederige en het lage als basis te nemen,
– hun zelfzucht te beperken door minder begeerten te hebben,
– om wapens te beschouwen als werktuigen van onheil,
– maar vooral: om het wu wei in praktijk te brengen.

5Een koning werd in het oude China gezien als door de hemel gezonden. Hij leefde een tijdje op aarde om zijn volk te leren over Tao. Dat kon alleen wanneer hij dit allereerst zelf in praktijk bracht. Zijn volk werd geacht zich dit goede voorbeeld ter harte te nemen.

Dan zou zijn koninkrijk veranderen in ‘het hemelse rijk’, een land dat het evenwicht ‘in het midden’ vindt én dit evenwicht weet te behouden.

Belangrijk kenmerk van ons universum is echter dat alles verandert.                                             De tijd is immers voorbij dat een koning wordt gezien als door een of andere hemel gezonden. In de laatste decennia is god zelfs doodverklaard en raakten wij in het westen de band met religieuze waarden geleidelijk kwijt. Het accent is komen te liggen op de zichtbare, materiële wereld, op dit ene, tijdelijke, leven.

De levenskwaliteit moet dan ook zo hoog mogelijk zijn en daarvoor worden we geacht zèlf verantwoordelijk te zijn. Er is geen hoger geplaatst persoon of instantie meer die ons vertelt hoe we moeten leven, maar wij leren om zelf keuzes te maken. Dit kan als een enorme last op ons drukken, want waar halen wij ons referentiekader vandaan?

mens

Er is een nieuwe tijd aangebroken. Daarin zoekt een mens naar tijdloze waarden die op een eenvoudige manier en zonder onnodige theorieën in praktijk kunnen worden gebracht. Het gaat niet langer alleen om wat we individueel geloven of denken, maar om wat wij in verbondenheid met elkaar voor het grote geheel doen.

12Het besef dringt steeds meer door dat we allen wereldburgers zijn. Dat de aarde deel uitmaakt van een universum vol van nog ongekend leven en dat dit alles omhuld én doordrongen wordt door het grote Mysterie zelf.
Om dit besef inhoud te geven zullen we – net als de koningen uit het oude China –  bij onszelf moeten beginnen: ons openstellen voor dat waarvoor geen woord toereikend is, maar dat ons zeer nabij is: Tao in het eigen hart.

De Daodejing wordt steeds meer gezien als een verzameling van heel heldere, zeer diepzinnige en uiterst praktisch toepasbare richtlijnen voor de mens van onze tijd. Richtlijnen die betekenis hebben voor gewone mensenlevens; voor dat van jou en mij.

De vorst of koning van onze tijd is de mens die begint in te zien dat hij ervoor kan kiezen om zich open te stellen voor dit Mysterie. Die beseft dat hij zelf de verantwoordelijkheid draagt om zijn leven daarmee in harmonie te brengen, of niet.

Wanneer hij zich ervan bewust wordt dat hij als tijdelijk mens opgenomen is in en deel uitmaakt van de tijdloosheid, rijst als vanzelf de vraag: wat heeft het tijdloze in mij nodig? Op welke manier kan ik leven te midden van ‘de tienduizend dingen’ die allemaal tijdelijk zijn en daarbij toch ruimte bieden aan het tijdloze?

13Het leven zelf vormt ‘de onderdanen’ van deze koning, zijn denken, voelen en willen zijn de ministers en beambten. Deze koning ervaart zich als ‘een wees, een verlatene, een behoeftige’ zoals Lao Zi zijn gemoedsgesteldheid meermalen omschrijft. Hij zal zich daarom nergens op voor laten staan.                     Samen met zijn medemensen met al hun diverse levensopvattingen, weet hij zich opgenomen in het tijdloos diepe Mysterie. Dit vraagt van hem maar één ding: dit uit te dragen door eenvoudig te zijn wie hij is mogen worden: een dienende koning in Tao.

 

Een gedachte over “Daodejing als vorstenspiegel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *